Noah mag ik jou nou noemen. Niet meer baby. Dat ben je wel, een piepkleine baby, maar sinds gisteren noem ik je Noah. Ja want gisteren ben jij geboren.
Daar was je dan, zo ineens in onze armen. Vooral in mama’s armen dan. Die had immers al dat werk verricht. Je weet wel, negen maanden (mama zal zeggen veertig weken en vier dagen, want dat vergeet ze nooit meer) jou in haar buik gedragen en al dat gepers en geduw. Als er ooit iemand tegen je zegt dat mannen het sterke geslacht zijn, zeg dan maar dat jouw mama jou ter wereld heeft gebracht en dat dat veel straffer is dan wat mannen doen.
Daar lig je dan, in je bedje, te slapen of te kijken. Lekker warm ingeduffeld. Want ja, je bent geboren in de winter. Niet dat jij dat weet (en misschien ga je’t nooit weten), maar in de winter hoort het koud te zijn, zo was dat in mijn tijd (meteen al je eerste “in mijne tijd was da…” gratis en voor niets). Nu is het 15 graden. Dat noemen we niet koud, dat is weer om buiten te spelen! Volgende “winter” spelen we buiten, deal?
Daar lig je dan, op mijn buik in slaap gevallen. Dat vond je blijkbaar de beste plaats. Niet je bedje, dat is te voor de hand liggend denk ik dan. Mama knort erdoor, die heeft haar slaap wel verdiend. Jij trouwens ook, dus slaap maar. Papa zal wel toekijken en denken:
Daar lig je dan… Eindelijk 🙂
Vele groetjes,
Je papa